Schoonzus L. heeft gezondheidsproblemen, vernamen we onlangs en Roger voelde zich schuldig omdat hij zich niet in staat voelde om zo snel nog eens naar het Leuvense te rijden om haar te bezoeken.
"Bel haar dan eens op", stelde ik hem voor, waarop hij zich afvroeg wat hij haar wel zou vertellen. Dat hij haar een spoedig herstel wenst, dat weet ze zo wel. En, vermits ze zelf niet echt een prater is, zou dat een heel kort, eigenlijk overbodig telefoontje worden.
Ik begrijp Roger, want ik heb hetzelfde probleem. En ik weet dat onze kinderen het ook zo aanvoelen: telefoneren om wat te zeggen als je niets bijzonders te melden of te vertellen hebt?
En toch... hebben we deze avond heel lang aan de telefoon gehangen! Roger had immers een paar computerproblemen en Hendrik nam nog eens zijn pc vanop afstand over, terwijl hij aan telefoon uitlegde wat hij deed - en tussendoor ook vertelde over zijn bezigheden, over de nakende presentatie van Debby haar dichtbundel, enzovoort. En dat vonden we heel aangenaam.
Blijkbaar hebben we een liefde-haatverhouding met de telefoon!


