Vandaag heb ik Roger zo goed als verplicht “iets te doen” aan zijn rommel in het poortgebouw. Ik heb zelf bijna niet geholpen (veel te bang om nog eens te struikelen over iets dat daar rondslingert). Uiteraard is dat poorthuis nog helemaal niet opgeruimd, maar er staat al wel één doos klaar met spullen voor het containerpark. Al het glas zit nu ook in één doos, terwijl het daarvoor overal verspreid lag.
De kruiwagens, de emmers, de hakselaar (over de poten waarvan ik in april 2024 struikelde) en alle andere toestellen die daar onterecht rondslingeren, liet ik maar staan. Ik begreep dat ik, nu ik niet meer in staat ben het zelf grondig onder handen te nemen, in dat poortgebouw hoogstens een beetje orde kan laten brengen, maar meer niet.
Later op de avond keek ik met veel bewondering naar een reportage over een dakloos koppel dat dertig jaar geleden in het park van het kasteel van Versailles leefde. Ik bewonderde hun moed, hun vastberadenheid, hun onvoorwaardelijke liefde voor elkaar en voor hun dieren, hun gastvrijheid en hun gebrek aan oppervlakkig conformisme.
En ik herinnerde me dat het non-conformisme van Roger destijds ook een rol heeft gespeeld in mijn beslissing om met hem verder door het leven te gaan.
Maar waarom erger ik me nu dan zo fel aan zijn rommel? Omdat die te veel plaats begint in te palmen? Of omdat ik zelf een beetje te conformistisch ben geworden?
